
TWAALF? EN AL DIE ANDERE TWAALFTALLEN DAN?
Max Dohle heeft ons voor een onmogelijke opgave gesteld. Het gemakkelijkste is helemaal niet op zijn verzoek in te gaan. Ik kies desondanks voor de moeilijke weg, in de wetenschap dat elke keuze ‘fout’, ‘onrechtvaardig’ is. Ik noem Marianne Timmer niet, maar ze hoort bij de allergrootste sporters (dat heeft ze tot het bittere einde (?) laten zien), ik moet met bloedend hart Abe Lenstra uiteindelijk laten vallen, want genialer voetballer heeft Nederland immers nauwelijks gekend, ik laat Bettine Vriesekoop in de steek, niet alleen gezegend met grote sportieve talenten, maar ook met een buitengewoon sterk karakter ((her)lees haar Heimwee naar Peking; denk aan haar zelfbevrijding van trainer-coach Gerard Bakker), ik zwijg over kaatser, strateeg en publiekslieveling Hotze Schuil, die de domme pech had een kleine sport te beoefenen (waaraan, terecht, overigens wel een venster is gewijd), ik ….
Bij mijn lijstje van 12 individuele sporters heb ik me laten leiden door overwegingen als: 1. het belang van de sportieve prestaties als zodanig; 2. de verwevenheid van de betreffende sport met de nationale samenleving (met name in sociaal-cultureel opzicht) en, in het verlengde daarvan, het nationale belang van de sport (uit heel recent onderzoek blijkt dat de Elfstedentocht de gemiddelde Nederlander meer aanspreekt dan de O.S!); 3. daarnaast natuurlijk ook de grootte van de sport (voetbal is een wereldsport, kaatsen zoals gezegd een kleintje); 4. de spreiding van de 12 sporters in de tijd (de heldendaden van eigen generatiegenoten schat je (te) gemakkelijk hoger in dan die van sporters uit een niet zelf beleefde periode); 5. het tonen van meer dan ‘alleen maar’ uitzonderlijke sportieve prestaties.
Het twaalftal
Ik geef nu, chronologische geordend, eindelijk mijn twaalftal prijs, met een korte motivatie.
1. Jaap Eden (de eerste ‘echte’ Nederlandse sportheld; dubbeltalent (wereldkampioen schaatsen en wielrennen); speelde met zijn talenten, om ze uiteindelijk aan tabak, alcohol en vrouwen te verspelen); 2. Max Euwe (wereldkampioen; schaakbestuurder; qua type sport en qua levenswijze de antipool van Jaap Eden); 3. Rie Mastenbroek (3x Olympisch goud, als 17-jarige); 4. Fanny Blankers-Koen (4 x O.G, allemaal in 1948; met andere vrouwelijke sporters als tennisster Kea Bouwman - heb ik in het voorbijgaan toch nóg een naam genoemd - en Rie Mastenbroek iconen voor vrouwenemancipatie); 5. Anton Geesink (Olympisch judokampioen in het hol van de leeuw; (eigenzinnig) sportbestuurder); 6. Ard Schenk (3 x O.G.; fascinerende combinatie van karaktereigenschappen: killersmentaliteit én relativeringsvermogen; met concurrent/vriend Kees Verkerk als geen ander verbonden met het Oranjegevoel); 7. Ton Sijbrands (Wereldkampioen; geniaal, vanaf het begin tot, ongetwijfeld, aan zijn dood; uitzonderlijke damkwaliteiten voor de buitenwereld waarneembaar ‘pas’ vanaf 1966); 8. Johan Cruijff (heeft wereldwijd grotere naamsbekendheid dan Van Gogh of Rembrandt; naast geniaal voetballer briljant trainer); 9. Joop Zoetemelk (na alle ‘verlies’ uiteindelijk groots winnaar; op zijn 33ste Tourwinnaar en, als 38-jarige, nog wereldkampioen op de weg); 10. Evert van Benthem (tweevoudig Elfstedenwinnaar in een tijd waarin de concurrentie, anders dan in 1963 (sorry, Reinier Paping), wel al moordend was; personificatie van de Hollandse koopmansgeest); 11. Richard Krajicek (Wimbledonwinnaar - en dat alleen al is genoeg voor een plaats in de top-12); 12. Pieter van den Hoogenband (tweevoudig Olympisch kampioen op het koningsnummer van het zwemmen - dat kunnen alleen de aller-, allergrootsten).
Dr. Pieter Breuker is als (Nederlands) sporthistoricus verbonden aan de Katholieke Universiteit Leuven.