Het amateurisme in de sport was eind 19e eeuw een vurig streven voor de maatschappelijke elite. Aan de ene kant waren er oprechte morele bezwaren tegen het verdienen van geld aan sport, aan de andere kant was de amateurstatus een manier om de lagere sociale klasse buiten de wedstrijden van de elite te houden.
Eigenbelang
In de meeste gevallen vond men echter dat sport boven het eigenbelang diende te gaan. Sommigen beweerden zelfs dat er geen sprake meer was van sport als er geld in het geding was.
Toch waren de tegenstellingen tussen amateurs en professionals veel minder scherp dan we nu geneigd zijn te denken. Zo waren er internationale schaatswedstrijden waar zowel wedstrijden waren voor amateurs en voor professionals, die gewoon betaald werden. Bovendien wilden de amateurs natuurlijk graag met hun beste sporters naar internationale wedstrijden sturen, zodat er altijd wel weer een oplossing werd bedacht. Bijvoorbeeld in de vorm van reisbeurzen. Er werd ook wel geld betaald ter compensatie van loonderving op het werk.
Olympische Spelen
Gedurende een groot deel van de vorige eeuw mochten alleen amateurs meedoen bij de Olympische Spelen en de zogenoemde officiële wedstrijden. Daaraan werd vrij strikt de hand gehouden. Je kon zomaar al je medailles en overwinningen kwijtraken als bekend werd dat je een keer geld had verdiend met je sport.
Dat betekende in de praktijk ook dat een deel van de topsporters niet aan deze grote toernooien deelnamen. In Nederland zijn de rijders van de kortebaan voorbeelden van schaatsers die weigerden hun verdiensten op te geven. Zij mochten dus niet deelnemen aan Europese - of wereldkampioenschappen. Anderen zoals Ard Schenk probeerden - overigens toen zonder veel succes – juist weer professioneel schaatser te worden.
Pensioen
Pas nadat IOC-president Avery Brundage met pensioen ging in 1972, werden de regels over het amateurisme versoepeld. Vanaf 1990 zijn de regels bij het IOC over het amateurisme geschrapt (met uitzondering van het boksen, ter bescherming van de deelnemers). Zo beschouwd was het amateurisme feitelijk slechts een ‘historisch intermezzo’ (term van Ruud Stokvis).


