
Hoewel er al aan het begin van de 19e eeuw studentensportclubs zijn opgericht, komt het verenigingsleven rond 1860 pas goed op gang. Het gaat in eerste instantie vooral om ijsverenigingen. Die verenigingen hadden doorgans niet zozeer een sportief, maar een maatschappelijk doel. Ze zijn opgericht voor de werkverschaffing aan baanvegers.
Wild beoep
De baanvegerij was voordien een ‘wild’ beroep dat door iedereen uitgeoefend werd die geen werk had. De baanvegers sloegen vaak moedwillig het ijs kapot om geld te kunnen vragen voor de doorgang over hun planken. Gezien hun sociale omstandigheden was dat begrijpelijk, maar de schaatsers hadden er natuurlijk flink de pest in. Ze moesten om de haverkap remmen en geld betalen. Binnen de nieuw opgericht verenigingen werden baanvegers te werk gesteld en andere vegers geweerd. Zo kregen toerrijders vrije en ononderbroken doorgang. De leden van de ijsvereniging hoefden de baanvegers ook niet langer te betalen. Aan een insigne waren zij voor de baanvegers herkenbaar. Koningin Wilhelmina droeg altijd het insigne van de Haagse IJsbond als ze ging rijden.
Uniforme regels
De eerste sportverenigingen waren lokale sportverenigingen. Deze gingen in de regio of landelijk verbanden met elkaar aan, bijvoorbeeld voor het organiseren van ijstochten. Uit lokale verenigingen ontstonden landelijke bonden, die op hun beurt samenwerking aangingen met buitenlandse nationale bonden. Zo werden internationale sportwedstrijden mogelijk met dezelfde spelregels. Uit de samenwerking met buitenlandse bonden ontstonden ten slotte overkoepelende sportfederaties per discipline. Nederland heeft een belangrijke rol gespeeld in de oprichting van de Internationale Schaatsunie in 1892 in Scheveningen.


